Samenvatting
De laatste decennia is de interesse in het afbeelden van het hart in de levende muis enorm
toegenomen. Deze interesse wordt voor een groot gedeelte gedragen door nieuwe ontwikkelingen
in de gentechnologie en moleculaire biologie. Doel van het promotieonderzoek was
een toolbox te ontwikkelen van verschillende MRI- (Magnetische Resonantie Imaging) en
analysetechnieken, als ondersteuning van het huidige en toekomstige onderzoek op het
gebied van muizenharten.
Het is met een MRI scanner moeilijk het muizenhart goed af te beelden vanwege de
geringe afmetingen van het muizenhart en de hoge frequentie waarmee het muizenhart
klopt. Om een goede afbeelding van het muizenhart te krijgen is het noodzakelijk gebruik
te maken van een opstelling welke zorgt dat de verschillende fysiologische parameters
van de muizen gemeten en gecontroleerd kunnen worden gedurende de acquisitie. Verder
worden grote bewegingsfouten voorkomen door de acquisitie van het tomografische beeld
te synchroniseren met de cyclische beweging van het hart. Deze synchronisatie wordt
normaal gerealiseerd door het begin van de hartcyclus te bepalen aan de hand van een
elektrocardiogram en te bepalen wanneer de muis geen ademhalingsbeweging uitvoert.
In dit proefschrift wordt een ’draadloze’ techniek beschreven waarbij het meten van de
fase van de hartcyclus en de ademhalingscyclus bepaald wordt vanuit het magnetische
resonantiesignaal zelf. Het asynchroon uitvoeren van de acquisitie, en deze na afloop van
de meting te synchroniseren met de hartslag, heeft als bijkomend voordeel dat de sterkte
van het magnetische resonantiesignaal hetzelfde blijft gedurende de volledige acquisitie.
Dit zorgt ervoor dat contrastverschillen in het tomografische beeld gelijk blijven en niet
afhankelijk zijn van de conditie van de muis. De constante signaalsterkte gaat ten koste
van een lagere signaal-ruis-verhouding. De verlaging van de signaal-ruis-verhouding heeft
er toe geleid dat de volumes van het werkende muizenhart enigszins verschillend werden
beoordeeld.
MRI is niet alleen in staat om tomografische afbeeldingen te maken, maar kan ook fysiologische
parameters te kwantificeren. Het grote nadeel van een tomografische afbeeldingtechniek
is dat het alleen kwalitatieve informatie geeft, zoals de morfologie. Kwantitatieve
informatie ,bijvoorbeeld een volumebepaling, kan alleen verkregen worden door
het segmenteren van het muizenhart uit de verkregen tomografische afbeelding. Het seg
menteren kost enorm veel tijd wanneer dit met de hand moet worden uitgevoerd. Bovendien
kan handmatige segmentatie onnauwkeurig worden als het niet door gekwalificeerde
personen wordt uitgevoerd. We laten in dit proefschrift zien dat een automatische segmentatie
methode een even grote fout maakt als de fout die gemaakt wordt wanneer twee
verschillende gekwalificeerde personen dezelfde segmentaties met de hand uitvoeren binnen
een muizengroep.
De synchronisatietechniek zoals hierboven beschreven, gebaseerd op het magnetische resonantiesignaal, werd ook toegepast om de volledige bewegingscyclus van de aorta af te
beelden in twee verschillende muisgenotypes (Smtn-B+/+ and Smtn-B-/-). Het genotype
Smtn-B-/- heeft een afwijkende contractiekracht in de arteri¨en en een hogere gemiddelde
arteri¨ele bloeddruk. De aortadiametertoename in het genotype Smtn-B-/- was tweemaal
groter gedurende de hartcyclus in vergelijking met muizen van het genotype Smtn-B+/+.
Verder hadden de muizenharten van de Smtn-B-/- genotype een grotere linkerventrikelmassa
en een hogere ejectiefractie. Deze studie, waarin twee verschillende muizengroepen
met elkaar werden vergeleken, laat zien dat de MRI-techniek zeer kleine verschillen in
fysiologische parameters van het muizenhart kan detecteren.
MRI wordt naast phenotypering ook gebruikt om muizenharten met een infarct te karakteriseren.
Verschillende publicaties vergelijken fysiologische parameters van muizenharten
met infarcten gemeten tussen MRI enerzijds en anderzijds: computertomografie-, echocardiografie-
of druk-volumemeting met een katheter. Nieuwe ontwikkelingen op het gebied
van nucleaire scantechnieken ,zoals bijvoorbeeld positron emissie tomografie (PET),
maken het mogelijk dat deze nucleaire technieken ook muizenharten kunnen karakteriseren.
Het grote voordeel van deze nucleaire scantechnieken is hun hoge gevoeligheid voor
radioactieve contrastmiddelen, die ervoor zorgt dat men bijna geen toxicologische reacties
hoeft te verwachten. In een gecombineerd experiment werden fysiologische parameters
vergeleken tussen MRI- en PET-metingen. Ook werd een vergelijking gemaakt tussen
de infarctgroottes zoals bepaald met behulp van een MRI-contrastmiddel en een PETcontrastmiddel.
Er werd een goede correlatie gevonden tussen beide imagingtechnieken m.b.t. de fysiologische parameters: einddiastole volume, eindsystole volume en ejectiefractie.
Aanzienlijke verschillen werden gemeten in de infarctgrootte bepaald uit de MRI- en
PET-beelden. Verder werden er hoge correlaties gevonden in de MRI-data tussen drie
verschillende infarctgroottebepalingen en de ejectiefracties.
Het afbeelden van ziekteprocessen op het cellulaire en moleculaire niveau met MRI is
mogelijk door gebruik te maken van krachtige en specifieke contrastmiddelen. MRI heeft
een relatief lage detectiegevoeligheid voor contrastmiddelen. Om de gevoeligheid te vergroten,
werd er een studie uitgevoerd naar een snelle MRI-sequentie, bekend onder de
naam ’Rephased-FFE’. Deze sequentie liet een 6-maal hogere detectiegevoeligheid zien
voor het contrastmiddel Gd-DTPA in een fantoomexperiment met een conventionele humane
1.5 Tesla MRI-scanner.
| Originele taal-2 | Engels |
|---|---|
| Kwalificatie | Doctor in de Filosofie |
| Toekennende instantie |
|
| Begeleider(s)/adviseur |
|
| Datum van toekenning | 11 nov. 2008 |
| Plaats van publicatie | Eindhoven |
| Uitgever | |
| Gedrukte ISBN's | 978-90-386-1429-8 |
| DOI's | |
| Status | Gepubliceerd - 2008 |
Vingerafdruk
Duik in de onderzoeksthema's van 'Mouse cardiac MRI'. Samen vormen ze een unieke vingerafdruk.Citeer dit
- APA
- Author
- BIBTEX
- Harvard
- Standard
- RIS
- Vancouver