Woningcorporaties aan zet: een beslissingsmodel voor het oprichten en ontwikkelen van dochterondernemingen

Jef van den Hout, Technische Universiteit Eindhoven (TUE). Stan Ackermans Instituut. Architectural Design Management Systems (ADMS)

    Research output: ThesisPd Eng Thesis

    7 Downloads (Pure)

    Abstract

    Vanuit een regulerende overheid worden woningcorporaties verplicht om haar marktconcurrerende activiteiten af te scheiden van de kernactiviteiten. Deze kernactiviteiten verkrijgen namelijk staatssteun. Indien staatssteun voor marktconcurrerende activiteiten aangewend wordt treedt concurrentievervalsing op met op de markt opererende activiteiten. Woningcorporaties kunnen deze maktconcurrerende activiteiten administratief of juridisch afscheiden. Indien voor een juridische afscheiding wordt gekozen wordt een dochteronderneming opgericht.Verschillende woningcorporaties hebben in het verleden echter al dochterondernemingen opgericht waarvan de motieven niet bekend zijn. Deze woningcorporaties hebben tevens ook kennis en ervaring opgedaan voor de organisatieontwikkeling van haar dochterondernemingen. Het interessant te achterhalen wat deze motieven zijn en welke aandachtspunten belangrijk zijn voor de organisatieontwikkeling indien een woningcorporatie een dochteronderneming wil oprichten.Uit het onderzoek blijkt dat bepaalde woningcorporaties bedrijfskundige motieven hanteren voor de oprichting van dochterondernemingen en niet de motieven die voortkomen uit regelgeving om concurrentievervalsing te voorkomen. Bedrijfskundige motieven kunnen motieven zijn als het bij elkaar willen zetten van competenties, het bewerkstelligen van een specifieke bedrijfscultuur of het creëren van een aantrekkelijke arbeidsplaats. Het gaat hier om motieven die een bedrijfskundig voordeel voor de organisatieontwikkeling van de dochteronderneming betreffen.Het is daarom voor woningcorporaties zinvol om een beslissingsmodel te hanteren om te toetsen of een woningcorporatie omwille van bedrijfskundige motieven een dochteronderneming zou moeten oprichten. Hier is door een samenwerking tussen Atrivé en de Technische Universiteit Eindhoven gehoor aan gegeven. Het model is voorzien van een handleiding. Voor de organisatieontwikkeling van dochterondernemingen zijn de aandachtspunten in het onderzoek achterhaald die zijn opgenomen in een checklist. Deze checklist is toegevoegd aan de handleiding.Het beslissingsmodel maakt in eerste instantie een inventarisatie van de relevante kenmerken van de woningcorporatie mogelijk om te woningcorporatie te identificeren. Vervolgens wordt de wenselijkheid en haalbaarheid getoetst van een activiteit. Indien de activiteit zijn doorgang heeft verkregen wordt getoetst of het een kernactiviteit betreft of een marktconcurrerende activiteit. Vervolgens wordt getoetst of om bedrijfskundige motieven de activiteit in een dochteronderneming moet worden geplaatst. Hierbij wordt in overweging genomen of er een alternatief bestaat.Nadat men de keuze heeft gemaakt een dochteronderneming op te richten speelt de organisatieontwikkeling van deze dochterondernemingen. Hiervoor is door het achterhalen van de aandachtspunten voor organisatieontwikkeling een geannoteerde checklist opgesteld. De checklist is gegroepeerd naar de ontwerpvariabelen voor organisaties uit het ESH-model van Weggeman (2001). De bedrijfskundige motieven uit het toetsingskader zijn op dezelfde wijze gegroepeerd. Dit maakt het mogelijk een prioritering te maken van de aandachtspunten die moeten worden opgenomen in het plan van aanpak voor de op te richten dochteronderneming.Concluderend kan worden gesteld dat dochterondernemingen omwille van bedrijfskundige motieven moeten worden opgericht. Woningcorporaties worden dus afgeraden dochterondernemingen op te richten om concurrentievervalsing voor marktconcurrerende activiteiten tegen te gaan zoals dit door de minister in haar brief van 12 december 2005 "Beleidsvisie toekomst woningcorporatie" wordt geïnitieerd. Het tegengaan van concurrentievervalsing kan namelijk ook op andere manieren worden bereikt.
    Original languageDutch
    QualificationDoctor of Philosophy
    Awarding Institution
    Supervisors/Advisors
    • Kastelein, A., Supervisor
    • Weggeman, Mathieu C.D.P., Supervisor
    • Wenselaar, W.J.H., Supervisor
    • Lagas, H., External supervisor, External person
    • van Vucht, J., External supervisor, External person
    Award date1 Jan 2006
    Place of PublicationEindhoven
    Publisher
    Print ISBNs90-444-0645-0, 978-90-444-0645-0
    Publication statusPublished - 2006

    Bibliographical note

    Eindverslag Bedrijfsopdracht ADMS.

    Cite this

    van den Hout, J., & Technische Universiteit Eindhoven (TUE). Stan Ackermans Instituut. Architectural Design Management Systems (ADMS) (2006). Woningcorporaties aan zet: een beslissingsmodel voor het oprichten en ontwikkelen van dochterondernemingen. Eindhoven: Technische Universiteit Eindhoven. Stan Ackermans Instituut.
    van den Hout, Jef ; Technische Universiteit Eindhoven (TUE). Stan Ackermans Instituut. Architectural Design Management Systems (ADMS). / Woningcorporaties aan zet : een beslissingsmodel voor het oprichten en ontwikkelen van dochterondernemingen. Eindhoven : Technische Universiteit Eindhoven. Stan Ackermans Instituut, 2006.
    @phdthesis{3a01dbb684804c4295de10a127ee4c42,
    title = "Woningcorporaties aan zet: een beslissingsmodel voor het oprichten en ontwikkelen van dochterondernemingen",
    abstract = "Vanuit een regulerende overheid worden woningcorporaties verplicht om haar marktconcurrerende activiteiten af te scheiden van de kernactiviteiten. Deze kernactiviteiten verkrijgen namelijk staatssteun. Indien staatssteun voor marktconcurrerende activiteiten aangewend wordt treedt concurrentievervalsing op met op de markt opererende activiteiten. Woningcorporaties kunnen deze maktconcurrerende activiteiten administratief of juridisch afscheiden. Indien voor een juridische afscheiding wordt gekozen wordt een dochteronderneming opgericht.Verschillende woningcorporaties hebben in het verleden echter al dochterondernemingen opgericht waarvan de motieven niet bekend zijn. Deze woningcorporaties hebben tevens ook kennis en ervaring opgedaan voor de organisatieontwikkeling van haar dochterondernemingen. Het interessant te achterhalen wat deze motieven zijn en welke aandachtspunten belangrijk zijn voor de organisatieontwikkeling indien een woningcorporatie een dochteronderneming wil oprichten.Uit het onderzoek blijkt dat bepaalde woningcorporaties bedrijfskundige motieven hanteren voor de oprichting van dochterondernemingen en niet de motieven die voortkomen uit regelgeving om concurrentievervalsing te voorkomen. Bedrijfskundige motieven kunnen motieven zijn als het bij elkaar willen zetten van competenties, het bewerkstelligen van een specifieke bedrijfscultuur of het cre{\"e}ren van een aantrekkelijke arbeidsplaats. Het gaat hier om motieven die een bedrijfskundig voordeel voor de organisatieontwikkeling van de dochteronderneming betreffen.Het is daarom voor woningcorporaties zinvol om een beslissingsmodel te hanteren om te toetsen of een woningcorporatie omwille van bedrijfskundige motieven een dochteronderneming zou moeten oprichten. Hier is door een samenwerking tussen Atriv{\'e} en de Technische Universiteit Eindhoven gehoor aan gegeven. Het model is voorzien van een handleiding. Voor de organisatieontwikkeling van dochterondernemingen zijn de aandachtspunten in het onderzoek achterhaald die zijn opgenomen in een checklist. Deze checklist is toegevoegd aan de handleiding.Het beslissingsmodel maakt in eerste instantie een inventarisatie van de relevante kenmerken van de woningcorporatie mogelijk om te woningcorporatie te identificeren. Vervolgens wordt de wenselijkheid en haalbaarheid getoetst van een activiteit. Indien de activiteit zijn doorgang heeft verkregen wordt getoetst of het een kernactiviteit betreft of een marktconcurrerende activiteit. Vervolgens wordt getoetst of om bedrijfskundige motieven de activiteit in een dochteronderneming moet worden geplaatst. Hierbij wordt in overweging genomen of er een alternatief bestaat.Nadat men de keuze heeft gemaakt een dochteronderneming op te richten speelt de organisatieontwikkeling van deze dochterondernemingen. Hiervoor is door het achterhalen van de aandachtspunten voor organisatieontwikkeling een geannoteerde checklist opgesteld. De checklist is gegroepeerd naar de ontwerpvariabelen voor organisaties uit het ESH-model van Weggeman (2001). De bedrijfskundige motieven uit het toetsingskader zijn op dezelfde wijze gegroepeerd. Dit maakt het mogelijk een prioritering te maken van de aandachtspunten die moeten worden opgenomen in het plan van aanpak voor de op te richten dochteronderneming.Concluderend kan worden gesteld dat dochterondernemingen omwille van bedrijfskundige motieven moeten worden opgericht. Woningcorporaties worden dus afgeraden dochterondernemingen op te richten om concurrentievervalsing voor marktconcurrerende activiteiten tegen te gaan zoals dit door de minister in haar brief van 12 december 2005 {"}Beleidsvisie toekomst woningcorporatie{"} wordt ge{\"i}nitieerd. Het tegengaan van concurrentievervalsing kan namelijk ook op andere manieren worden bereikt.",
    author = "{van den Hout}, Jef and {Technische Universiteit Eindhoven (TUE). Stan Ackermans Instituut. Architectural Design Management Systems (ADMS)}",
    note = "Eindverslag Bedrijfsopdracht ADMS. - - Bijlage: Op zoek naar de juiste zet ...",
    year = "2006",
    language = "Nederlands",
    isbn = "90-444-0645-0",
    publisher = "Technische Universiteit Eindhoven. Stan Ackermans Instituut",

    }

    van den Hout, J & Technische Universiteit Eindhoven (TUE). Stan Ackermans Instituut. Architectural Design Management Systems (ADMS) 2006, 'Woningcorporaties aan zet: een beslissingsmodel voor het oprichten en ontwikkelen van dochterondernemingen', Doctor of Philosophy, Eindhoven.

    Woningcorporaties aan zet : een beslissingsmodel voor het oprichten en ontwikkelen van dochterondernemingen. / van den Hout, Jef; Technische Universiteit Eindhoven (TUE). Stan Ackermans Instituut. Architectural Design Management Systems (ADMS).

    Eindhoven : Technische Universiteit Eindhoven. Stan Ackermans Instituut, 2006.

    Research output: ThesisPd Eng Thesis

    TY - THES

    T1 - Woningcorporaties aan zet

    T2 - een beslissingsmodel voor het oprichten en ontwikkelen van dochterondernemingen

    AU - van den Hout, Jef

    AU - Technische Universiteit Eindhoven (TUE). Stan Ackermans Instituut. Architectural Design Management Systems (ADMS)

    N1 - Eindverslag Bedrijfsopdracht ADMS. - - Bijlage: Op zoek naar de juiste zet ...

    PY - 2006

    Y1 - 2006

    N2 - Vanuit een regulerende overheid worden woningcorporaties verplicht om haar marktconcurrerende activiteiten af te scheiden van de kernactiviteiten. Deze kernactiviteiten verkrijgen namelijk staatssteun. Indien staatssteun voor marktconcurrerende activiteiten aangewend wordt treedt concurrentievervalsing op met op de markt opererende activiteiten. Woningcorporaties kunnen deze maktconcurrerende activiteiten administratief of juridisch afscheiden. Indien voor een juridische afscheiding wordt gekozen wordt een dochteronderneming opgericht.Verschillende woningcorporaties hebben in het verleden echter al dochterondernemingen opgericht waarvan de motieven niet bekend zijn. Deze woningcorporaties hebben tevens ook kennis en ervaring opgedaan voor de organisatieontwikkeling van haar dochterondernemingen. Het interessant te achterhalen wat deze motieven zijn en welke aandachtspunten belangrijk zijn voor de organisatieontwikkeling indien een woningcorporatie een dochteronderneming wil oprichten.Uit het onderzoek blijkt dat bepaalde woningcorporaties bedrijfskundige motieven hanteren voor de oprichting van dochterondernemingen en niet de motieven die voortkomen uit regelgeving om concurrentievervalsing te voorkomen. Bedrijfskundige motieven kunnen motieven zijn als het bij elkaar willen zetten van competenties, het bewerkstelligen van een specifieke bedrijfscultuur of het creëren van een aantrekkelijke arbeidsplaats. Het gaat hier om motieven die een bedrijfskundig voordeel voor de organisatieontwikkeling van de dochteronderneming betreffen.Het is daarom voor woningcorporaties zinvol om een beslissingsmodel te hanteren om te toetsen of een woningcorporatie omwille van bedrijfskundige motieven een dochteronderneming zou moeten oprichten. Hier is door een samenwerking tussen Atrivé en de Technische Universiteit Eindhoven gehoor aan gegeven. Het model is voorzien van een handleiding. Voor de organisatieontwikkeling van dochterondernemingen zijn de aandachtspunten in het onderzoek achterhaald die zijn opgenomen in een checklist. Deze checklist is toegevoegd aan de handleiding.Het beslissingsmodel maakt in eerste instantie een inventarisatie van de relevante kenmerken van de woningcorporatie mogelijk om te woningcorporatie te identificeren. Vervolgens wordt de wenselijkheid en haalbaarheid getoetst van een activiteit. Indien de activiteit zijn doorgang heeft verkregen wordt getoetst of het een kernactiviteit betreft of een marktconcurrerende activiteit. Vervolgens wordt getoetst of om bedrijfskundige motieven de activiteit in een dochteronderneming moet worden geplaatst. Hierbij wordt in overweging genomen of er een alternatief bestaat.Nadat men de keuze heeft gemaakt een dochteronderneming op te richten speelt de organisatieontwikkeling van deze dochterondernemingen. Hiervoor is door het achterhalen van de aandachtspunten voor organisatieontwikkeling een geannoteerde checklist opgesteld. De checklist is gegroepeerd naar de ontwerpvariabelen voor organisaties uit het ESH-model van Weggeman (2001). De bedrijfskundige motieven uit het toetsingskader zijn op dezelfde wijze gegroepeerd. Dit maakt het mogelijk een prioritering te maken van de aandachtspunten die moeten worden opgenomen in het plan van aanpak voor de op te richten dochteronderneming.Concluderend kan worden gesteld dat dochterondernemingen omwille van bedrijfskundige motieven moeten worden opgericht. Woningcorporaties worden dus afgeraden dochterondernemingen op te richten om concurrentievervalsing voor marktconcurrerende activiteiten tegen te gaan zoals dit door de minister in haar brief van 12 december 2005 "Beleidsvisie toekomst woningcorporatie" wordt geïnitieerd. Het tegengaan van concurrentievervalsing kan namelijk ook op andere manieren worden bereikt.

    AB - Vanuit een regulerende overheid worden woningcorporaties verplicht om haar marktconcurrerende activiteiten af te scheiden van de kernactiviteiten. Deze kernactiviteiten verkrijgen namelijk staatssteun. Indien staatssteun voor marktconcurrerende activiteiten aangewend wordt treedt concurrentievervalsing op met op de markt opererende activiteiten. Woningcorporaties kunnen deze maktconcurrerende activiteiten administratief of juridisch afscheiden. Indien voor een juridische afscheiding wordt gekozen wordt een dochteronderneming opgericht.Verschillende woningcorporaties hebben in het verleden echter al dochterondernemingen opgericht waarvan de motieven niet bekend zijn. Deze woningcorporaties hebben tevens ook kennis en ervaring opgedaan voor de organisatieontwikkeling van haar dochterondernemingen. Het interessant te achterhalen wat deze motieven zijn en welke aandachtspunten belangrijk zijn voor de organisatieontwikkeling indien een woningcorporatie een dochteronderneming wil oprichten.Uit het onderzoek blijkt dat bepaalde woningcorporaties bedrijfskundige motieven hanteren voor de oprichting van dochterondernemingen en niet de motieven die voortkomen uit regelgeving om concurrentievervalsing te voorkomen. Bedrijfskundige motieven kunnen motieven zijn als het bij elkaar willen zetten van competenties, het bewerkstelligen van een specifieke bedrijfscultuur of het creëren van een aantrekkelijke arbeidsplaats. Het gaat hier om motieven die een bedrijfskundig voordeel voor de organisatieontwikkeling van de dochteronderneming betreffen.Het is daarom voor woningcorporaties zinvol om een beslissingsmodel te hanteren om te toetsen of een woningcorporatie omwille van bedrijfskundige motieven een dochteronderneming zou moeten oprichten. Hier is door een samenwerking tussen Atrivé en de Technische Universiteit Eindhoven gehoor aan gegeven. Het model is voorzien van een handleiding. Voor de organisatieontwikkeling van dochterondernemingen zijn de aandachtspunten in het onderzoek achterhaald die zijn opgenomen in een checklist. Deze checklist is toegevoegd aan de handleiding.Het beslissingsmodel maakt in eerste instantie een inventarisatie van de relevante kenmerken van de woningcorporatie mogelijk om te woningcorporatie te identificeren. Vervolgens wordt de wenselijkheid en haalbaarheid getoetst van een activiteit. Indien de activiteit zijn doorgang heeft verkregen wordt getoetst of het een kernactiviteit betreft of een marktconcurrerende activiteit. Vervolgens wordt getoetst of om bedrijfskundige motieven de activiteit in een dochteronderneming moet worden geplaatst. Hierbij wordt in overweging genomen of er een alternatief bestaat.Nadat men de keuze heeft gemaakt een dochteronderneming op te richten speelt de organisatieontwikkeling van deze dochterondernemingen. Hiervoor is door het achterhalen van de aandachtspunten voor organisatieontwikkeling een geannoteerde checklist opgesteld. De checklist is gegroepeerd naar de ontwerpvariabelen voor organisaties uit het ESH-model van Weggeman (2001). De bedrijfskundige motieven uit het toetsingskader zijn op dezelfde wijze gegroepeerd. Dit maakt het mogelijk een prioritering te maken van de aandachtspunten die moeten worden opgenomen in het plan van aanpak voor de op te richten dochteronderneming.Concluderend kan worden gesteld dat dochterondernemingen omwille van bedrijfskundige motieven moeten worden opgericht. Woningcorporaties worden dus afgeraden dochterondernemingen op te richten om concurrentievervalsing voor marktconcurrerende activiteiten tegen te gaan zoals dit door de minister in haar brief van 12 december 2005 "Beleidsvisie toekomst woningcorporatie" wordt geïnitieerd. Het tegengaan van concurrentievervalsing kan namelijk ook op andere manieren worden bereikt.

    M3 - Pd Eng Thesis

    SN - 90-444-0645-0

    SN - 978-90-444-0645-0

    PB - Technische Universiteit Eindhoven. Stan Ackermans Instituut

    CY - Eindhoven

    ER -

    van den Hout J, Technische Universiteit Eindhoven (TUE). Stan Ackermans Instituut. Architectural Design Management Systems (ADMS). Woningcorporaties aan zet: een beslissingsmodel voor het oprichten en ontwikkelen van dochterondernemingen. Eindhoven: Technische Universiteit Eindhoven. Stan Ackermans Instituut, 2006.