Skip to main navigation Skip to search Skip to main content

Veneuze trombo-embolie : wanneer zijn laboratoriumtesten voor trombofilie zinvol?

  • J.B. Kok, de
  • , J. Meer, van der
  • , A.K. Stroobants
  • , Y.M.C. Henskens
  • , G.A.J. Ponjee
  • , E.M. Wijk, van
  • , C.M. Hackeng
  • , V. Scharnhorst
  • , A.B. Mulder

Research output: Contribution to journalArticleAcademicpeer-review

183 Downloads (Pure)

Abstract

Laboratoriumtesten voor trombofilieonderzoek worden vaak door de kliniek aangevraagd na het optreden van veneuze trombo-embolie. Indien afwijkingen worden gevonden leidt dit niet altijd tot klinische consequenties, zoals verlenging van antistollingstherapie. In de eind 2007 vastgestelde CBO-richtlijn ‘diagnostiek, preventie en behandeling van veneuze trombo-embolie en secundaire preventie arteriële trombose’ staan wetenschappelijk onderbouwde richtlijnen beschreven voor situaties waarbij het bepalen van trombofiliefactoren zinvol is en invloed heeft op het klinisch handelen. In dit artikel wordt de consequentie van deze richtlijn voor de laboratoria beschreven. Grofweg komt het erop neer dat voor de meeste patiënten met een eerste of recidief veneuze trombo-embolie het bepalen van trombofiliefactoren anders dan antifosfolipide-antistoffen geen therapeutische consequenties heeft en daarom wordt afgeraden. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt het bepalen van trombofiliefactoren wel overwogen. Daarbij is het van belang dat rekening gehouden wordt met preanalytische factoren die de uitslag van trombofilietesten kunnen beïnvloeden.
Original languageEnglish
Pages (from-to)228-232
JournalNederlands Tijdschrift voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde
Volume33
Issue number4
Publication statusPublished - 2008

Fingerprint

Dive into the research topics of 'Veneuze trombo-embolie : wanneer zijn laboratoriumtesten voor trombofilie zinvol?'. Together they form a unique fingerprint.

Cite this